Scroll down Ga terug naar het overzicht

Jacobakan

Siegburg, 14e eeuw

Herkomst: Kan: Siegburg, zilver: Nederland

Datering: Kan: 14e eeuw, zilver: ca. 1665

Hoogte: 24 cm

 

Deze stenen kan met zilveren elementen heeft een uitzonderlijke geschiedenis en wordt al in 1732 benoemd in de literatuur.  Het stenen gedeelte van de kan dateert rond 1400. Gelijksoortige kannen werden in grote getalen gemaakt in Siegburg, waar zich een belangrijke steenfabriek bevond. De kannetjes werden vervolgens onder andere naar Holland verscheept, zo ook deze kan die is gevonden in de grachten van het slot bij Velzen.

De zilveren deksel en voet zijn in een later stadium aan de kan toegevoegd, aannemelijk rond 1665. De deksel bevat aan de onder en bovenzijde scenes uit het leven van Gerard van Velzen ( ? -1296). Van Velzen was heer van Beverwijk, Noordwijk en Velzen, waar de kan is gevonden. In 1296 beraamde Van Velzen een plan om graaf Floris V (1254-1296) te vermoorden. Hoewel verhalen rondgingen die beweerden dat Floris V de echtgenote van Van Velzen had verkracht en dat dit de reden van de moord was; is het aannemelijker dat hier vooral politieke beweegredenen achter schuil gingen. Van Velzen werd op verschrikkelijke wijze gestraft voor de moord op Floris V. Hij werd in een ton gestopt waarin spijkers waren geslagen en hierin rond gerold tot hij overleed.

Op de bovenkant van de zilveren deksel is de moord op Floris V afgebeeld. Aan de onderkant van de deksel zien we de bestraffing van Van Velzen verbeeld. Een uitzonderlijk detail van de beker is de duimrust, waarop een kleine zilveren ton is geplaatst, die verwijst naar Van Velzen zijn straf. De zilveren voet die aan de kan is gemonteerd is aan de onderzijde gegraveerd met de volgende tekst: ‘Gegraven ben ick op uijt de Versoncken Gracht van t slot der Velzer heer in de beste van t geslacht doode slants tyran wilde hollant vrijheit geven moest in een ton gerolt op spijckers laten t leven.’

In het prentenkabinet van het Rijksmuseum zijn een aantal prenten te vinden die veel overeenkomsten hebben met de scenes op de deksel. Deze prenten zouden als voorbeeld kunnen hebben gediend voor de zilversmid die de deksel heeft vervaardigd.

De reden dat dit soort steenwerk kannen Jacobakannen worden genoemd heeft te maken met een fabeltje rondom gravin Jacoba van Beieren (1401-1436).  Zij spendeerde de laatste jaren van haar leven in het kasteel Teylingen in Sassenheim. In de 17e eeuw werden rondom dit kasteel een groot aantal gelijksoortige stenen kannetjes gevonden. Hierdoor dachten geschiedschrijvers dat Jacoba haar tijd in het kasteel had doorgebracht met pottenpakken. De kannetjes dateren echter van ca. 1375 tot 1425, in deze periode verbleef Jacoba nog niet in het kasteel. Onbewust van dit feit, zijn deze specifieke soort kannetjes in de 17e eeuw naar haar vernoemd.

 

Literatuur

Alkemade, K. van, en P. van der Schelling. Nederlands Displegtigheden. Deel 2. Rotterdam, 1732.

Dam, J.D. van. “Das keramische Thema, in belgischen und niederländischen Sammlungen im XIX. Jahrhundert.” Keramos 156 (1997): 39-130.

Prijs op aanvraag